Toxoplasmose

Dit artikel werd voor ons gemaakt door professor Dr. P. Dorny, (diplomate of the European Veterinary Parasitology College (EVPC) sinds 2003) een autoriteit op het gebied van research, die hierover uitgebreid onderzoek deed en er zijn bijstelling over maakte. Omdat dit toch een zeer belangrijke kwestie is en er zoveel onvolledige of verkeerde informatie over bestaat, heeft hij alles nog eens samengevat voor u.

Bij zwangerschap is het niet verantwoord een huiskat te verwijderen uit het gezin.

Samenvatting

Een onderzoek naar de prevalentie van toxoplasma gondii bij 112 studenten diergeneeskunde toonde aan dat 47,3% antistoffen had, niettegenstaande het veelvuldig contact van deze mensen met katachtigen was de infectiegraad niet hoger dan in een niet geselecteerde populatie van dezelfde leeftijdsklasse in België. Aan de hand van een vragenlijst werd informatie bekomen over het houden van katten als huisdier en de eetgewoonten van deze personen. Daaruit bleek dat het veel werken in de tuin en het eten van rauw of weinig gebakken vlees en dan vooral schapenvlees, het risico op besmetting met toxoplasma verhoogt. Daarentegen waren eigenaars van katten niet frequenter besmet dan personen die geen kat bezitten.

Toxoplasma gondii is ongetwijfeld één der meest verspreide parasieten: dit protozoön veroorzaakt infecties bij zowat alle zoogdieren en vogels over de ganse wereld. alhoewel de parasiet reeds lang gekend is, werd de cyclus ervan pas opgehelderd in 1970. Toen werd ontdekt dat de kat, als enige eindgastheer, toxoplasma onder vorm van oöcysten, met de uitwerpselen kan verspreiden. Vanaf dat moment werd het houden van een huiskat sterk afgeraden in gezinnen waar een vrouw zwanger was. Het schadelijk effect van een congenitale besmetting van de foetus was reeds voldoende gekend.

De kat scheidt slechts gedurende een korte periode (1 à 2 weken) van zijn bestaan oöcysten uit en dit meestal op jonge leeftijd (jonger dan 1 jaar). Katten die oöcysten uitscheiden zijn meestal niet ziek en vertonen meestal geen diarree. Deze oöcysten zijn niet onmiddellijk infectieus maar worden dat pas na 2 à 5 dagen. Daarentegen kunnen oöcysten in de buitenwereld wel zeer lang tot zelfs enkele jaren overleven. De kat is echter niet de enige besmettingsbron voor de mens; deze kan zich eveneens besmetten door het eten van rauw of onvoldoende gebakken vlees besmet met weefselcysten van toxoplasma. Vooral schapenvlees blijkt frequent besmet te zijn.

Het doel van deze studie was enerzijds na te gaan of een geselecteerde populatiegroep van studenten diergeneeskunde, door het veelvuldig contact met katten frequenter besmet is met toxoplasma, en anderzijds aan de hand van een vragenlijst de besmettingswegen via het eten van vlees of via contact met katten te analyseren.

De invloed van het contact met katten en kattenfaeces op de seroprevalentie van toxoplasma.

Van de 57 personen die verklaarden één of meerdere katten te bezitten hadden 43,9% antistoffen.

Bij de niet-kattenbezitters was dit 50,9%.

Van de 19 personen die verklaarden veel in de tuin te werken waren er 73,7% seropositief.

Hoewel niet significant, is er een duidelijke trend voor hogere besmettingsfrequenties bij personen die vlees tamelijk rauw nuttigen (56,6% positief) dan voor personen die vlees enkel goed gebakken eten (36% positief). Het eten van rauw of onvoldoende gebakken schapenvlees verhoogde zelfs aanzienlijk het risico (70,8%).

Ondanks het veelvuldig contact van studenten diergeneeskunde met katachtigen bleken deze in het onderzoek niet frequenter besmet te zijn met toxoplasma gondii dan de doorsnee populatie in België. In een studie in Brussel bij 2.313 vrouwen tussen de 20 en 30 jaar oud, was 51,5% seropositief. In een onderzoek in Gent vond men dat op de leeftijd van 30 jaar reeds 3/4 van de bevolking met toxoplasma besmet was. Ook in buitenlandse onderzoekingen werden geen verschillen in seroprevalentie genoteerd tussen dierenartsen en niet-dierenartsen. Hoewel zij rechtstreeks in contact komen met katachtigen, komen ze minder in contact met de faeces. Daarbij komt dat de sporulatie van de oöcysten in de faeces minstens 2 à 5 dagen in beslag neemt, waardoor het contact met verse faeces ongevaarlijk is.

Het houden van een huiskat impliceert meestal ook het schoonmaken van een kattenbak en daardoor ook eventueel contact met de kattenfaeces. Uit het huidig onderzoek bleek echter evenmin een verschil in seroprevalentie te bestaan tussen kattteneigenaars en zij die geen kat bezitten. In gelijkaardige studies in Europa en de Verenigde staten werden meestal geen verschillen in prevalentie tussen beide populatiegroepen gevonden. Nochtans is de besmettingsgraad met toxoplasma gondii bij huiskatten vrij hoog. Op de leeftijd van 2 jaar heeft tussen de 50 en 60% van de katten de infectie doorgemaakt.

De reden van de geringe overdracht van de huiskat op de eigenaar moet gezocht worden in de hygiëne die in de meeste huizen onderhouden wordt. Kattenfaeces wordt meestal verwijderd vooraleer de oöcysten de kans gekregen hebben om te sporuleren (besmettelijk te zijn). Bovendien is het ook zo dat een kat die antistoffen gemaakt heeft in principe geen oöcysten meer uitscheidt. In tropische landen verhoogt het risico op besmetting met toxoplasma gondii. Het warme en vochtige klimaat zorgt er voor een snelle sporulatie van de oöcysten, bovendien zijn de huizen er meestal onhygiënisch. In Costa Rica bv. vond men in de huizen in 19,5% van de keukens en 15% achter versieringen resten van kattenfaeces. Op de leeftijd van 10 jaar zijn in dat land reeds meer dan 40% van de kinderen seropositief, terwijl infectie door weefselcysten er waarschijnlijk minder voorkomt vermits het vlees er meestal goed doorbakken gegeten wordt.

De besmetting van het milieu is ook verantwoordelijk voor de hoge prevalentie van toxoplasma gondii bij herbivoren. Serologisch onderzoek bij Belgische runderen en schapen toonde aan dat respectievelijk 72 en 80% van deze dieren positief zijn voor toxoplasma antistoffen. Varkens zijn minder frequent seropositief van 19 tot 50% en in de meeste westerse landen wordt een daling van de seroprevalentie waargenomen bij deze diersoort, waarschijnlijk door het meer gesloten houden van varkensbedrijven en het gebruik van silo's om het voeder op te stapelen, waardoor contaminatie met kattenfaeces onmogelijk wordt. In een uitgebreide studie in Frankrijk kwam men tot dezelfde vaststelling. Verhitten van vlees doodt de aanwezige weefselcysten, hiervoor zijn 15 à 20 minuten nodig bij een temperatuur van 60°c, en 5 minuten bij een temperatuur van 160 tot 170°c. Bij gewone koeltemperatuur (4°c) blijven de cysten minstens 3 weken actief. Bewaring aan -15° tot - 20° doodt alle weefselcysten.

Besluit

Alhoewel de huiskat ook in gematigde streken zoals België ontegensprekelijk onmisbaar is in het sluiten van de cyclus van toxoplasma gondii, zijn humane besmettingen zelden afkomstig van rechtstreeks contact met deze diersoort.

Zwangere vrouwen houden rekening met:
  • Strikte hygiëne van de kattenbak. Dagelijks verversen of laten verversen en ontsmetten. Oöcysten worden immers pas besmettelijk nadat ze 2 à 5 dagen in de buitenwereld zijn. Aan katten wordt best geen rauw vlees verstrekt.
  • Een serologische (bloed) en eventueel coprologische (faeces) controle kan aantonen of de kat immuum is en geen oöcysten meer zal uitscheiden.
  • Het werken in de tuin gebeurt met handschoenen, daarna de handen flink borstelen met water en (ontsmettings)zeep.
  • Groenten steeds grondig reinigen vóór consumptie.
  • Het risico van besmetting door vlees kan men beletten door het vlees voldoende te verhitten, maar ook door het te diepvriezen. Minstens 3 dagen bewaren aan -15 tot -20°c doodt alle weefselcysten. bij gewone koeltemperatuur (4°c) blijven de cysten minstens 3 weken actief.
Naar boven